Een ballet begint bij de choreograaf , de bedenker van een ballet.
De choreograaf haalt zijn ideeën voor een ballet uit allerlei bronnen: mythologie, literatuur, toneelstukken. Hij bedenkt bij die verhalen dansbewegingen die ondersteund door muziek,decors, kostuums en belichting het verhaal op ‘dansante’ manier vertellen. Soms kiest de choreograaf voor bestaande muziek, maar ook komt het voor dat speciaal voor een ballet muziek gecomponeerd wordt. Uiteraard is dan de samenwerking tussen choreograaf en componist zeer belangrijk.
Goede voorbeelden van samenwerking tussen kunstenaars uit allerlei disciplines zijn de voorstellingen Parade en De driekanten steek .
De driekanten steek(Le Tricorne) gaat over een molenaar en zijn vrouw en speelt zich af in Spanje. De Spaanse componist Manuel de Falla heeft de muziek voor dit ballet gecomponeerd. Choreograaf Léonide Massine verdiepte zich speciaal in de flamenco om deze Spaanse volksdans in zijn choreografie op verantwoorde wijze te kunnen opnemen. De driekanten steek stond op het repertoire van Les Ballets Russes met als artistiek directeur Serge Diaghilev die een bijzonder talent had om de meest uiteenlopende geniale kunstenaars aan elkaar te koppelen. Voor de decor s vond hij een van de grootste Spaanse kunstenaars aller tijden, Pablo Picasso, bereid deze te ontwerpen. Blijkbaar had De driekanten steek een inspirerende invloed op kunstenaars: in 1949 heeft Salvador Dali, de bekendste kunstenaar van het Surrealisme, een serie kleurenetsen gemaakt voor het boek van de Spaanse schrijver Pedro de Alcarcòn waaraan deze voorstelling is ontleend.
Ook ontwierp hij voor een versie van dit ballet uit 1949 het toneelbeeld.
Het verhaal gaat over de bevolking van een provincie in Spanje, die in het geweer komt tegen de gehate gouverneur (de drager van de tricorne oftewel een driekantige hoed). De decors, muziek, kostuums en de dansen ademen de Spaanse volksaard.
Als de choreograaf de gekozen muziek beluistert ontstaan er in zijn hoofd de beelden van dansbewegingen: allerlei beelden zoals het ballet er volgens hem moet gaan uitzien. In de balletstudio probeert hij dan de dansbewegingen en de passen die hij van plan is in zijn ballet te verwerken, uit, alleen of samen met de dansers. Hij kan dat heel goed voorbereid doen, met elke pas al vastgelegd in zijn hoofd, of al improviserend en spontaan, afhankelijk van de reacties van de dansers op de muziek. Bij het maken van een choreografie moet natuurlijk ook rekening gehouden worden met de fysieke en expressieve mogelijkheden van de dansers en de ruimte die de choreograaf op het podium beschikbaar heeft.
Net als een muziekcomponist dat met notenschrift doet, kan de choreograaf met notaties de passen, houdingen en sprongen met grafische tekens op papier vastleggen.
Er zijn verschillende notatiesystemen: de Laban-notatie en de Benesh-notatie zijn de meest gebruikte, maar er zijn ook dansers en choreografen die er hun eigen notatiesysteem er op na hielden: zo bedacht de Russische choreograaf Nijinsky zijn eigen schrift. In 1915 legde hij daarmee zijn opvatting van l'Après-midi d'un Faune vast. Maar niemand die de tekens vervolgens na zijn dood kon ontcijferen. Pas in 1989 werd de dans weer uitgevoerd, nadat twee medewerkers van The Language of Dance Centre in Londen de code hadden ‘gekraakt’.
Moderne choreografen gebruiken tegenwoordig de film- en videocamera om de dans vast te leggen. Er zijn zelfs choreografen zoals Merce Cunningham die met computerprogramma’s als Lifeforms werkt om vorm aan zijn dansplannen te geven.