Triadisch ballet

Première: 30-09-1922, Württemberg, in het Landes- theater

Periode: Moderne dans, het begin

Voor dit beroemde dansstuk ontwierp Schlemmer meetkundige kostuums die in samenhang met de dansers een nieuwe organisatie en eenheid vormden:de ‘figurijn’.
De danser werd gezien als een bewegende machine, waarbij de hoofdonderdelen gekenmerkt zijn door geometrische vormen. Typisch aan zijn dans waren de eenvoudige passen en gebaren in abstracte vormentaal. Door de kostuums waren de dansers zeer beperkt in hun bewegingen en die verliepen dan ook via beperkte geometrische patronen.

De beroemdste choreografie van de Bauhaustheaterafdeling, het Triadisch ballet, is niet beroemd geworden omdat het zo'n lange tijd bestaan heeft: op 30 september 1922 ging het in het Landes- theater van Württemberg in première en op 4 juli 1932 werd het voor de laatste maal opgevoerd tijdens een internationale danswedstrijd in Parijs.
Het ballet werd na 1968 door dansers en choreografen, die de kostuums op Bauhaustentoonstellingen zagen en zich afvroegen hoe je daarin ooit zou kunnen dansen, enkele malen gereconstrueerd.

Voor een indruk met plaatjes en videofragmenten van Het Triadisch ballet ga je naar deze Nederlandstalige pagina.
Of lees onderstaand fragment:
Een avondvoorstelling in het Bauhaus- theater, beschreven door een student T. Lux Feininger:
'Ik zag de 'Gestentanz' en de 'Formentanz' (gebaren- en vormendans), uitgevoerd door dansers met metalen maskers op, ze hadden, door allerlei opvullingen, 'gebeeldhouwde' kostuums aan. Op het toneel, met een diepzwart achterdoek en coulissen, stonden magische belichte geometrische voorwerpen: een kubus, een bol, trappen.
De spelers schreden, slenterden, slopen rond, draafden, stormden vooruit, stopten, draaiden langzaam en statig. Met veelkleurige handschoenen bedekte armen werden groetend opgeheven, de koperen gouden en zilveren knopen kwamen samen en vlogen weer uiteen.
De stilte werd door klapwieken onderbroken, wat met een korte slag eindigde. Een crescendo van dreunend geluid loopt op tot een kakofonie, gevolgd door een onheilspellende en schrikaanjagende stilte.
Een deel van de dans had de strenge en ingehouden hevigheid van een kattenkoor, het gemiauw en snorren inbegrepen, dat op een fantastische manier door de resonerende maskerhoofden werd geaccentueerd. Tred en gebaar, gestalte en voorwerp, kleur en klank, alle hadden de eigenschappen van de elementaire vorm ( ... ). De theater-elementen werden bijeengebracht en groeiden langzamerhand tot iets wat op een stuk leek. Maar we kwamen nooit te weten of het een komedie of een tragedie was.
Het interessante was dat 'spel' en het betekenisvolle uiteindelijk een bedoeling vormden, een gevoel of een boodschap moesten oproepen; dat gebaren en spraak tot handelingen zouden worden.
Wie weet?
In principe was het als een theater van de danser zichzelf genoeg, maar tegelijkertijd was het een klas, een leslokaal en deze geweldige opvoering was Schlemmer's lesmethode".