Première: 1912, Parijs,Théâtre du Châtelet
Periode: Een Russische dansrevolutie
in Europa!
Door: Vaslav Fomitsj Nijinsky (choreografie, dans), Serge Diaghilev (productie)
Debussy componeerde zijn Prélude à l’Après-midi d’un faune naar aanleiding van het gedicht l’Après-midi d’un faune van Stéphane Mallarmé.
'L'après-midi d'un faune' is het verhaal van een bosgod die in de tintelende middaghitte van Sicilië twee naakte nimfen bespiedt.
De componist schreef zélf een korte beschrijving van de muziek:
“De muziek van deze Prélude is een zeer vrije illustratie van het schitterende gedicht van Mallarmé. In géén geval pretendeert ze een samenvatting van het gedicht te zijn. Je hebt in de muziek veel meer te maken met opeenvolgende scènes waarin de verlangens en de dromen van de faun in de hitte van de namiddag aan de orde komen.
Vermoeid van het achtervolgen van de angstig wegvluchtende nimfen, geeft de faun zich uiteindelijk over aan een bedwelmende slaap, waarin zijn dromen van heerschappij over de Universele Natuur, eindelijk waar worden”.
Het werk ging op 22 december 1894 in première. Dit wordt vaak beschouwd als het begin van de “moderne” muziek.
Het ballet dat op die muziek gemaakt werd, ging in 1912 in première en veroorzaakte een behoorlijk schandaal.
Dit ballet is afkomstig van danser en choreograaf Vaslav Nijinsky en componist Debussy.
Het ballet l'Après-midi d'un faune op muziek van Debussy (Prélude à l'après-midi d'un faune) vormde een keerpunt in de ontwikkeling van de Ballets Russes.
Vaslav Nijinsky , topdanser van het gezelschap en oogappel van Diaghilev , bedacht voor zijn debuut als choreograaf een nieuwe danstechniek, die was ontleend aan de schilderkunst op Griekse vazen en Egyptische friezen. Net als op de vazen was de romp van de dansers naar het publiek gekeerd en werden hoofden en ledematen en profile getoond. De opzet was bijna tweedimensionaal, door het gebruik van parallelle beenhoudingen en een gedraaide torso, daarbij bijna letterlijk de griekse afbeeldingen navolgend.
Het publiek vond het nogal vreemd maar was vooral overstuur omdat Nijinsky aan het slot van het ballet met een sluier speelde alsof hij ermee masturbeerde.....
Serge Lifar, een bekend Frans choreograaf maakt in 1935 een nieuwe versie van dit ballet. Jerome Robbins maakt in 1953 waarschijnlijk de best geslaagde moderne versie van dit ballet.
Het toont een danser en een danseres in een balletstudio die zich emotioneel meer en meer tot elkaar voelen aangetrokken.
Een voorstelling gemaakt door Toer van Schayk en geïnspireerd op l'aprèsmidi(kortweg 'Faun') is ook bij Het Nationale Ballet op het repertoire geweest.
De muziek van de Franse componist Claude Debussy (1862-1918) wordt vaak als impressionistisch omschreven en vergeleken met de nieuwe stroming in de schilderkunst van zijn tijd, het impressionisme.
Debussy zelf had een hekel aan dat etiket. Toch had hij veel gemeen met de impressionistische schilders van zijn tijd zoals bijvoorbeeld Monet, Manet en Renoir. Want net als zij wilde hij niet een concrete muzikale werkelijkheid tonen, maar slechts een vage indruk daarvan, een impressie.
Met dit weergeven van een impressie gooide de jonge eigenzinnige componist het concept overboord, dat muziek aan bepaalde regels moest voldoen, een vaste structuur moest hebben en een duidelijke richting.
Zijn eerste werk in deze revolutionaire stijl schreef Debussy in 1894: Prélude à l'après-midi d'un faune. Dit stuk werkte als een eye-opener voor belangrijke 20ste-eeuwse componisten.
Het orkestwerk duurt ongeveer tien minuten en is een vrije fantasie over het gelijknamige gedicht, dat verhaalt over een faun en zijn dagdromen op een zwoele namiddag. De muziek beschrijft het gedicht niet letterlijk, maar ze schetst een algehele atmosfeer van luchtige nostalgie en zachte dromerigheid. Alleen al de openingsmelodie zette de toen geldende principes op losse schroeven: er klinkt slechts één instrument, de fluit, symbool van de dromende faun. De melodie daalt en stijgt, als een meeuw die zich laat mee wiegen op de golven. Ze krult en wentelt zich lustig als een arabeskversiering op de muur van een Moors paleis. Dan valt het orkest in. De samenklanken zijn rijk en vol, vanwege de warme kleuren van de houtblazers (fluiten, althobo) en de hoorns, en de afwezigheid van luidruchtige blaas- en slaginstrumenten. Als in een droom kabbelt de mysterieuze en exotische muziek verder.