Dans bestaat voor een groot deel uit combinaties van danselementen . Iedere combinatie levert een andere uitdrukking en bepaalt de danskwaliteit. Bijvoorbeeld licht en vertraagd leidt tot 'zweverig'; heel krachtig en snel leidt tot 'stotend'. De danskwaliteit is de weerspiegeling van de drijfveer van de danser.
Een voorbeeld van danskwaliteit: een danser staat naast een tafel; hij heft zijn arm vanuit de elleboog, strekt de arm zodat deze schuin omhoog wijst waarbij de hand boven het hoofd komt. De hand zet de beweging naar beneden aan, de arm buigt zich licht, de hand raakt het oppervlak van de tafel schuin en glijdt er overheen. Door te variëren in het gebruik van de danselementen ontstaan er heel verschillende uitdrukkingen.
De danser heft de arm heel traag, met grote spanning, heel gecontroleerd, vervolgens gaat de hand plotseling met gecontroleerde spanning naar beneden; met grote vaart en grote kracht slaat de hand op tafel (stoten: agressief).
Idem; maar de arm en de hand zijn niet gecontroleerd, maar in een losse, ongecontroleerde spanning waardoor de hand met grote kracht en snelheid over de tafel zwiept (zwiepen: nonchalant).
De arm en hand worden snel omhoog gebracht, met een lichtheid die de arm gewichtsloos lijkt te maken, de hand komt heel traag gecontroleerd naar beneden, nog steeds heel licht raakt hij de tafel en glijdt erover alsof de hand de tafel streelt (glijden of strelen: teder).