Barok

1600 - 1750

Dansliefhebber Lodewijk XIV, absoluut koning van Frankrijk, stichtte in 1661 de Koninklijke Academie voor Dans om mensen op te leiden voor vertoningen aan het hof.
Aan deze Academie werden de grondbeginselen van het ballet zoals wij die kennen vastgelegd. Vanaf dit moment kwam de ontwikkeling van ballet in een stroomversnelling: de techniek van de dansers werd steeds beter en de eerste sterdansers verschenen ten tonele.
De academies (voor dans, muziek, beeldende kunst en theater) pasten prima binnen de centraal geleide politiek (alles kwam uiteindelijk steeds bij de koning terecht) omdat daarmee ook de kunsten konden worden onderworpen aan regelgeving. Alle kunst moest dienen tot meerdere eer en glorie van Frankrijk en tot verheffing van de koning en het hofleven. Om dit voor elkaar te krijgen moesten de kunsten goed georganiseerd en gecontroleerd worden. Via de academies met hun centrale regelgeving en maatstaven was dit perfect mogelijk!
Verder leidden deze ontwikkelingen op het gebied van dans ertoe dat dans niet meer een verplicht tijdverdrijf voor alleen maar hovelingen was, maar een professioneel beroep werd, waarvoor je opgeleid moest worden: aan alle regels en wetmatigheden moest voldaan worden! Bovendien waren de academies een soort genootschap van door de staat erkende dansmeesters die het vocabulaire en de richtlijnen voor de theaterpraktijk vastlegden en de gangbare danstechniek (zoals en dehors , de uitdraai van de benen en de vijf klassieke posities) beschreven.
De dans wordt hiermee van het marktplein en uit de balzalen gehaald en naar het podium gebracht. Het ballet dat eigenlijk alleen aan de koninklijke hoven werd uitgeoefend, ontwikkelde zich in de negentiende eeuw tot het zogenaamde romantische ballet.
Er waren nog meer ontwikkelingen aan het hof van Lodewijk . Samen met Molière , de beroemde blijspelschrijver, ontwikkelde hofcomponist Lully voorstellingen waarin, anders dan de meer thematische balletten van de tijd daarvoor, een doorlopend verhaal werd verteld. In deze balletcomedies , zoals Le bourgeois gentilhomme, worden zowel dans als muziek als logisch bestanddeel ven het blijspel geïntroduceerd.
Zijn de balletcomedies gebaseerd op vrije bewerkingen van klassieke komedies, in de balletopera, ook ontwikkeld door Lully in die jaren, is de opbouw en thematiek van de tragedie die als uitgangspunt dient,geheel volgens de regels van de klassieken , nog volkomen herkenbaar. In tegenstelling tot de balletcomedie , wordt de muziek en dans hier niet onderbroken door gesproken toneelscénes. De gezongen delen worden afgewisseld door divertissementen , massascènes voor koor en ballet.

Ballet als zelfstandige kunstvorm ontstond dus ergens middenin de zeventiende eeuw aan het hof van Lodewijk XIV , de zonnekoning. Deze vorst had belangrijke passies: zichzelf en het (dans)theater.
De eerste geschreven dansen stammen uit het jaar 1670 en werden aan het hof van Lodewijk XIV geschreven door Louis Pécourt.
Lodewijk vervulde in zijn jonge jaren in een aantal dansproducties zélf de hoofdrol. In het Ballet de la nuit oftewel het Ballet van de nacht vertolkte hij de rol van de opgaande zon, waaraan hij mede zijn bijnaam van ‘zonnekoning’ dankte.
Dit speciaal voor Lodewijk gemaakte ballet stelde hem in staat om als danser nog eens de macht van het absoluut koningsschap duidelijk te maken: in de solo’s die hij in het stuk veelvuldig danste stond hij steeds in het middelpunt.
De jonge koning was een redelijk getalenteerd danser en dat kon hij op deze wijze uitstekend voor het voetlicht brengen. Hij kreeg alle gelegenheid om zijn superieure techniek te tonen.
Het ballet was zeer formeel:deze strengheid waarmee de spelregels van het toenmalige ballet werden toegepast sloten natuurlijk perfect aan bij de waardigheid en strengheid van de koning.
Ook gaf de dans de koning in zijn solo’s de gelegenheid te tonen hoe hij in staat was zijn lijf al dansend in balans en evenwicht te houden:dit gaf de standvastigheid van de koning aan. Door zelf als solodanser op te treden gaf Lodewijk aan dat dansvaardigheid een belangrijke norm was: een hoveling moest goed kunnen dansen en om dat te bereiken had je veel discipline nodig.
Hoe beter je aan die norm voldeed, hoe hoger je status was aan het hof. Jouw plaats en rol in de dans was derhalve een weergave van je plaats aan het hof en bij fouten of vergissingen tijdens de voorstelling kon dat leiden tot degradatie!

Uit het dagboek van een hoveling aan het hof van Lodewijk XIV, 1692:
”Deze jongeman,die tot dan toe niet of nauwelijks aan het hof had vertoefd, had op de vraag of hij een goed danser was geantwoord met een dusdanige zelfvoldaanheid, dat iedereen de behoefte kreeg hem op fouten te betrappen. Welnu, die behoefte werd bevredigd. Hij verloor zijn evenwicht bij de eerste révérence: vanaf het begin van de dans was hij uit de maat. Hij trachtte zijn fouten te verbergen door naar één kant te gaan hangen en met zijn armen te zwaaien: dat was natuurlijk nóg belachelijker. Het leidde tot een gelach dat al snel uitbarstte in geschater en hoongelach, ondanks het respect dat eigenlijk verschuldigd was aan de aanwezigheid van de koning, die trouwens zelf ook nauwelijks zijn lachen kon inhouden.In plaats er vandoor te gaan of zich koest te houden beweerde hij de volgende dag dat de aanwezigheid van de koning hem van zijn stuk gebracht had en dat hij zich op het eerstvolgende bal zou revancheren. Zodra hij bij die tweede gelegenheid begon te dansen verdrong iedereen zich om hem te kunnen zien, en het gejoel mondde uit in handgeklap. Iedereen, zelfs de koning, lachte luid, en zelfs zo hard dat ik me afvraag of er ooit iemand zó is vernederd. Daarna verdween hij van het hof en liet zich in geen tijden meer zien.”
Wie meer wil weten over Barokdans en Engels kan lezen gaat naar deze site .

Gerelateerde voorstellingen:

Gerelateerde personen:

Gerelateerde multimedia: