Moderne dans in ontwikkeling

1950 - 1980

De jaren vijftig, zestig en zeventig van de 20e eeuw staan in het teken van onderzoek en performances ; Cunningham kreeg na de jaren vijftig veel navolgers die ook wilden onderzoeken wat dans precies inhoudt en welke kanten je ermee op kunt. Deze choreografen verleggen steeds verder de grenzen van wat mogelijk is in de dans.
Sommige experimenten doen nu misschien belachelijk aan, maar waren in die tijd verschrikkelijk revolutionair.
Choreograaf David Gordon had bijvoorbeeld een solo-voorstelling waarin hij niets anders deed dan zitten, opstaan en weer gaan zitten. Maar ondanks het ogenschijnlijk ridicule karakter van dit soort performances effende het de weg voor een nieuwe kijk op wat dans vermag: het bracht de essentie van beweging terug in de discussie rond dans. De dans werd er uiteindelijk mee verrijkt.
Stersolisten bestaan in deze formule niet meer: elke danser wordt geacht van even groot belang te zijn, dit in tegenstelling tot academische dansgezelschappen waar een strikte hiërarchie heerst.
In deze periode werd door sommige choreografen gewerkt met amateurs, dat wil zeggen dansers zonder professionele scholing, met als achterliggende gedachte dat spontaniteit en een onbevangen houding belangrijker is dan techniek en spierbeheersing.
Kortom: 'revolutionairen' als Steve Paxton , Trisha Brown , Twyla Tharp en Lucinda Childs hielden beweging en dans onder de loep en volgden daarmee een ontwikkeling in de beeldende kunsten, die van de abstractie.
Nederland heeft nog niet zo’n lange danstraditie. Toch neemt dans van Nederlandse bodem een belangrijke plaats in de internationale danswereld in. Pas na de Tweede Wereldoorlog ontstonden hier de grote dansgezelschappen zoals Het Nationale Ballet , het Nederlands Dans Theater en het Scapino Ballet, dat zich aanvankelijk vooral toelegde op voorstellingen voor kinderen en jongeren. De ‘grote drie’ Rudi van Dantzig , Hans van Manen en Toer van Schayk , waren in die periode pioniers die een duidelijk stempel op de Nederlandse dans hebben gedrukt en wier invloed zich nog tot op de dag van vandaag laat gelden.

Merce Cunningham zelf staat in deze jaren ook niet stil. Hij breekt nadrukkelijk met de dans van Graham die altijd nog vol betekenis en emotie is. Merce haalde zijn bewegingen weer uit het idioom van het academische ballet omdat alle regeltjes daarvan een onpersoonlijkere dansstijl zouden opleveren,en toonde zich daarmee een ware aanhanger van het postmodernisme .
Hij begon een zoektocht naar het loskoppelen van dans en betekenis. Een van zijn meest gevleugelde uitspraken uit die tijd: "dance is motion, not emotion'.

Samen met zijn levenspartner, componist John Cage liet Cunningham de vorm, lengte en volgorde van de bouwstenen van zijn choreografie afhangen van het gooien van dobbelstenen, het trekken van strootjes en het werpen van een geldstuk: kop of munt?
Loskoppelen van muziek, dans en decor , die dan pas op de premičre samenkwamen, was een volgende stap in het doorbreken van de voorspelbaarheid van de danskunst: door decors vóór de dansers te plaatsen,de dansers aan de zijkant van het podium te laten dansen en de muziek niet gelijk op te laten gaan met de dans of zelfs achterwege te laten, laat Cunningham de toeschouwer zelf kiezen waar hij naar kijkt of luistert.

Gerelateerde voorstellingen:

Gerelateerde personen:

Gerelateerde multimedia: